| Steile trappen |
Een stoet trekt door de
nacht, tuktuk na tuktuk rijden over de donkere landwegen. Her en der een
verdwaalde fietser. Tussen de bomen, in de hutten langs de weg, gaan de lampen
gestaag aan. Het is half vijf, we zijn op weg naar Angkor Wat en het is
stervenskoud. Saskia vindt het wel prettig, maar ik heb mijn overhemd dicht
geknoopt. Dat zegt al genoeg.
De stoet wordt een
processie, samen met honderden andere toeristen schuifelen we bij maanlicht door
het zand. In de verte zien we lampjes. Gidsen die hun diensten aanbieden, we
passeren hen en gaan over een brede stenen brug waarop een muur volgt. Via een
poortje komen we Angkor Wat binnen. ‘Het huis van de goden’ had ik in de Lonely Planet gelezen. We worden
ontvangen door nieuwe lichtjes.
‘Buy a book, sir?’
Nee, hebben we niet
nodig. Vijftig meter verder kijken we elkaar aan, of misschien wel?
‘Ik ben lui geweest’, bekent Saskia, ‘ik heb hier
niks over gelezen.’
Mijn eigen kennis rijkt
ook niet verder dan ‘huis van de goden’. Dus we draaien ons om en zetten een
paar stappen terug.
‘We want to buy a book.’
Het boek dat ik in mijn
handen gedrukt krijg draai ik direct om. 28$ zegt het prijskaartje, of wel drie
overnachtingen. Dat gaat hem niet
worden.
’18 Dollar, special price for you.’
In het licht van de
zaklamp ontwaar ik een hoopvolle blik in de ogen van de verkoper. Ik kijk
Saskia aan.
‘Vijf Dollar?’
‘Vijf Dollar.’
‘Five Dollar,’ antwoord ik.
‘Not enough, I won’t make any profit,’ klaagt de
verkoper.
Dan niet, we lopen door.
Met elke stap daalt de prijs. Bij zes geef ik toe en koop het. Een boek rijker
sluiten we ons weer aan bij de stroom. Had ik het ook voor vier kunnen krijgen?
| Een tempel met verzakte trappen |
Het is inmiddels zes uur
en op de trappen van een tempel wachten we op iets dat elke dag gebeurt. Het
wordt langzaamaan licht. Op onze schoten liggen bakjes met een zout omelet, dat
nadat een stel chinezen langs mij omhoog klimmen, knarst het met elke hap.
Halverwege geef ik het op. De zon doet haar ding en de hemel kleurt oranje en
rood. Ik ga staan en zoek een betere plek op. Een zee van achterhoofden
verdekken de vijvers, maar ik heb enkel oog voor het silhouet van de immense
tempel en de gekleurde hemel. Ik denk diepe gedachtes, naast mij op de grond
zit Saskia te lezen over waar we zijn. Als ik uitgekeken ben gaan we de tempel
in. Over een stenen brug, stenen trappen op, een stenen muur met een poort.
‘Alleen de goden mochten in stenen gebouwen wonen, de rest van de gebouwen
waren van hout’, weet Saskia mij te vertellen. ‘Deze tempel is gebouwd in
referentie naar hun heilige berg.’
Dat is gelukt, ik voel me
klein. We slenteren verder en onze wegen scheiden zich.
‘Do you know what these are?’ vraagt een
mede-bezichtiger.
Met een beige hoed, een
linnen overhemd en een beige broek zie ik eruit als iemand die zoiets weet.
Gelukkig heeft Saskia mij ook dat vertelt.
‘Water basins’, antwoord ik dus.
‘Water basils’, zegt hij tegen zijn compagnon.
Goed genoeg denk ik en
loop nog meer trappen op.
| Trappen die naar beneden lopen |
Trappen zijn een alom
vertegenwoordigde eigenschap van de tempels. Steile trappen; die je op handen en
voeten op gaat. Verzakte trappen. Trappen die naar beneden lopen; zoals bij het
tempel meer. Een stel trappen leidt naar een donkere kamer het hart van de Angkor
Tom. Gezamenlijk met twee anderen zit Saskia op de grond, starend naar het door
kaarsen verlichte beeldje. Ik maak van het trio een kwartet. Het gelul uit de
portofoon van de bewaakster houdt gauw op te storen. Ik zit er een poosje en
staar. Dan komen er meer mensen binnen, iemand maakt een foto, flits; het
poosje is voorbij. Als ik naar buiten ga en mijn sandalen weer aantrek staat
Saskia op mij te wachten.
‘Ik wil ook zo’n donkere ruimte in ons appartement’,
beken ik.
‘Gewoon het licht op de wc niet aandoen’, oppert zij.
We gaan door naar de
volgende tempel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten