Ik zit op het balkon en kijk uit over de stad. Beneden rennen
kinderen door een wat ik vermoed, voormalig heiligdom. Auto's, tuktuks en
scooters zoemen voorbij. De zon verdwijnt langzaam achter het paleis in geeft
de lucht een roze/paarse gloed. Voor mij het wonderlijke gebouw met een enorme
foto van een lieve oude man voorop; het paleis. Ik zit in zijn achtertuin en
denk na. Ik denk na over hoe moeilijk het is om hier na te denken. Je loopt
rond, ziet, hoort en ruikt van alles. De stad staat nooit stil. Overal mensen.
Overal 'hello' van enthousiaste kinderen en 'tuktuk sir?' van hoopvolle,
opdringerige chauffeurs. Het Kmer schrift is niet te lezen, maar overal zijn
borden met Engelse vertalingen en de bijbehorende dollarprijzen. Ik spendeer mijn
denkvermogen aan het ontcijferen van plaketten, de weg vinden en wisselkoers-rekensommen.
Ik voel me als net na de invoering van de euro, of zoals mijn ouders nu, als ze
stiekem omrekenen hoeveel iets kost in guldens. Dat is dan 5 dollar, dus 4 euro
90. Hoeveel was dat dan in Vietnamees geld? .. Hoeveel was dat hotel? Hoeveel
dollars hebben we nog? Zullen we vandaag pinnen en zo ja, hoeveel dan? maken
onderdeel uit van mijn dagelijkse gedachtestroom. Dat, samen met ' waar gaan we
nu heen, waar slapen we morgen en welke bus nemen we daarvoor', laat weinig
ruimte over om over andere dingen na te denken. Ik denk dat mensen daarom graag
op vakantie zijn. Ik probeer mijn sombere overpeinzing te doorbreken door mijn
aandacht naar het plein te verleggen, maar de zon is onder gegaan en de
kinderen zijn weg. Enkel de razende voertuigen nog. Ik luister naar het
gepruttel van opstartende motoren en gezoem van auto's op snelheid. Het is hier
stiller dan in Ho Chi Minh Stad. Niet omdat er minder verkeer is, maar omdat de
eerder ontwaarde ongeschreven verkeersregel 1, toeters bij inhalen, hier niet
in gebruik is.
Mel zit naast mij op een ligstoel en leest 'The Origin of Wealth'. We hoeven
nergens heen. Hij, ik, twee e-readers en mijn kladblok. Mijn shirt zit onder de
vlekken van onze laatste lunch. Ik kan met stokjes eten, alleen niet zonder
spetteren. Mel wilde mij uitlachen omdat ik de twijfelachtige eer had om dit
voor de derde dag op een rij te presteren. Hij keek echter beschaamd naar de
vetvlekken in zijn broek.
Er rennen twee beestjes over de muur. 'O hallo' zegt Mel. Als
verstijft staar ik naar de muur. ' Hagedissen?' weet ik ineen gedoken met een
klein stemmetje uit te brengen. Ik staar de witte beestjes strak aan. Ze staan
net zo verstijft als ik terug te kijken. 'Nee, dat zijn gekko's' ' okay.... Die
zijn toch niet gevaarlijk?'
'Nee, het zijn een soort kikkers.'
Slechte vergelijking.
Ik ben bang voor kikkers.
Op dat moment komen de gekko's in beweging en rennen ze achter
elkaar de hele muur over om vervolgens weer naar boven te verdwijnen. Ik moet
zeggen dat ik het goed doe qua beestjes. Kakkerlakken, dikke ratten, muizen, ik
geef geen kik. Muggen zijn helaas nog dol op mij. Ik heb er nu eentje op mijn
bil die zo groot is, dat ik hem mijn derde bil noem.
In ieder geval, onze dag begon met het wegbrengen van onze was.
Voor twee dollar werd het voor ons gedaan. 's Avonds haalden we het weer op in
een netjes gesealed plastic pakje. Zelfs het linnen tasje waarin we de was
hadden meegenomen hadden ze gewassen. Op weg naar het wasmevrouwtje werden we
keer op keer nageschreeuwd. TUKTUK SIR! TUKTUK LADIEEEEEEEE' ik wilde
terugschreeuwen dat ze die tuktuk ergens moesten stoppen waar ze zon niet
scheen, maar dat vond ik niet helemaal eerlijk van mijzelf. Ik besprak het met
Mel en mijn betere helft introduceerde mij in de wereld van vriendelijk
afwijzen. Dertig vriendelijke afwijzingen verder, realiseerden we ons dat we
een tuktuk nodig hadden. We wilden naar de Russische markt, maar die was 5 km
verderop. Mel stechelde wat met de chauffeur over de prijs en hop daar tuften
we weg. Wat stinkt dat zeg! Ik snapte meteen al die mondkapjes. Onderweg vroeg
ik Mel wat er op de Russische markt was. Ik beelde bolle matroeska’s in die
blini’s boven een groot vuur bakten en opatjes die wodka dronken terwijl ze uit
Tolstoj lazen. We hadden de avond ervoor een aflevering Oorlog en Vrede
gekregen, dus dat zou bijzonder toepasselijk zijn geweest. Met het woord
‘kleding’ onderbrak Mel mijn mijmeringen. Onze chauffeur bood aan om een uur op
ons te wachten en ons voor dezelfde bodemprijs waar hij tijdens de
onderhandelingen zo sip over keek, weer op te halen.
De markt was een overdekt gebouw waar ienieminie paadjes ons langs enorme
bergen kleding leidde. In Parijs had ik een aantal weken geleden dumpwinkels
gezien waar ook alle kleding ongevouwen op een berg gegooid waren en dacht ‘dat
werkt nooit.’ Blijkbaar wel, want er werd gretig gekocht op de markt. Niet door
ons. Geheel kijken, kijken niet kopend schuifelden we verder. Via accessoires
(hoeveel juweliers kan je hebben? In Vietnam stikte het er ook van) kwamen we
bij kappers en beautysalons. Dames die op een kinderkrukje hun nagels laten
lakken. Even verderop waren (hoera!) etenstandjes, waar wij op kinderkrukjes
achter een tafel gingen zitten van een vrouw die op haar beurt weer achter een
grote wok stond. Terwijl ze voor ons groenten, noodles en een gebakken eitje
bakte, werd er in het stalletje naast ons voor ons verse ananas en sinaasappelsap
bereid. Terwijl we wachtten op ons eten, probeerde er een man met een scooter
langs ons te rijden in het gangetje dat niet meer dan 1 meter breed was. Na
onze heerlijke maaltijd kwamen we in een sectie met motorbanden, boren, boutjes
en motoren. Als we meer tijd hadden gehad heir had ik een bouw je eigen tuktuk
pakket aan Mel cadeau gedaan. Hevig zwetend en dampend verlieten we de snikhete
hal om met de wind in onze haren en uitlaatgassen in onze neus naar ons hotel
te snellen.
Omkleden in zedelijke kleding en door naar het paleis. Daar
schuifelden we rond tot een uur of 5. Net voordat ik een tentoonstelling in
wilde lopen, schreeuwde er een man van achter een poort ‘HURRY UP LADIEEEE’. Ik
schrok me dood, had ik de sluitingstijd vergeten? Vervolgens barste de man in
lachen uit. Het was een tuktuk chauffeur die op zoek was naar een nieuwe klant.
De volgende dag vertrokken we naar Siem Reap. Overal bedrijfjes
die buskaartjes verkochten, maar wij hadden na goed googelen de busjes van de
Cambodjaanse post gevonden. De Cambodjaanse DHL zeg maar. Om 6 uur moesten we
klaar zitten met al onze bagage omdat dan de pick ups bij hotels zouden
beginnen om vervolgens om 7 uur op weg te gaan. De receptionist lag nog te
slapen op de bank, met de rest van het personeel. Ik kwam te trap af en hij
sprong op. Vreemd idee dat een groot deel van het personeel niet thuis slaapt,
maar in de lobby. Wij besloten ze te laten slapen en gingen buiten zitten.
Ongeduldig wachtten we. Waarom zijn ze er nog niet? Het is toch verdorie al 6:30,
6:40, 6:50? Om 7 uur kwam de bus voorrijden en ons verantwoordelijke hart liep
over. Het busje was gloed nieuw, had wifi en mijn persoonlijke hoogtepunt; het
had een sticker met daarop ‘ how is my driving’ aan de binnen en buitenkant van
de bus, met daar een nummer bij dat je kon bellen als de chauffeur een maniak
was. Er zat nog 1 iemand anders in het busje bestemd voor 12. Bij de volgende
pick up locatie, stonden we 10 minuten stil. Uit het raam keek ik op de
boulevard, waar bejaarde Cambodjanen chai chi stonden te beoefenen. De
chauffeur hoofdschuddend nam hoofdschuddend weer plaats in het busje. ‘Daar
gaan we niet langer op wachten’, sprak zijn lichaamstaal. Vervolgens reden we
naar Siem Reap, met als enig gezelschap de stille Koreaan en allemaal
pakketjes.
We stopten elk uur om onze benen even te strekken, of om een
postkantoor aan te doen. De rit was heel prettig. Geen gek inhalen, geen wobbelhobbel
over slechte wegen. Bij een bijzonder mooi wegrestaurant besloot Mel dat hij de
rest van zijn leven wilde toewijden aan het fotograferen van alle
wegrestaurants die hij bezocht. Ik werd in hetzelfde restaurant geconfonteerd
met de schrik van mijn leven. Er was een slang op de wc. Die kwam een man
vervolgens doodmaken en naar buiten vegen met een bezem. Ik liep een rondje om
het restaurant om bij te komen en zag schildpadschilden drogen op een kippenhok.
Zwaar getraumatiseerd kwam ik bij Mel aan. Die nam me mee naar een grasveldje
waar hij een klein konijntje had gezien. We keken een paar minuten naar het
konijntje en toen was het weer goed. Bij onze eindhalte, het postkantoor van Siem
Reap, werden we opgehaald door een tuktuk; service van ons hotel. Ik had ons
een luxe veroorloofd, we zouden twee nachten in een hotel met zwembad
verblijven. Het hotel was mooi. Bij aankomst kregen we een handdoekje met aloe
vera erop aangereikt en kamers hadden namen als Magnolia en Lilly. Zo blij als
een kind sprong ik in het zwembad en genoot van de (zeer korte) baantjes die ik
erin zwom. Mel las zijn boekje. Aan het zwembad lagen allemaal zombies die we
niet echt hebben zien bewegen in de drie dagen die we in het hotel waren.
Britten die halve liters achterover tikten alsof het water was. Serieus, die
dronken meer bier dan wij water. Siem Reap was ooit een slaapstad, totdat
toeristen het ontdekten en het een soort Salou werd. Niet dat ik daar ooit was,
maar het komt overeen met mijn veronderstelling. Een straat met allemaal
kroegen die letterlijk de ‘Pub street’ heet, alleen maar toeristen, 1000
kraampjes die harembroeken met olifanten erop verkopen en TSHIRT ONE DOLLAAAA
LADIEEEE’ en meer nacht dan dagleven. Een vreemd dagritme houden Siem Reap
gangers sowieso aan hun verblijf over, zelf als je jezelf niet naar de
vergetelheid wilt drinken voor 4 euro met een emmer(!) aan cocktails of met halve
liters bier van 50 cent. In Siem Reap ligt namelijk Angkor Wat, de nationale
trots van Cambodja. Een enorme hoeveelheid aan tempels, google het maar of bekijk
Mel’s foto’s op Facebook. Toeristen kijken namelijk massaal naar de zonsopgang
over de tempels. Zo ook wij. Voordat we naar bed gingen besloten we te eten bij
ons hotel. De currys waren smakeloos en er liepen overal dikke ratten, muggen, padden
en gekkos. Helemaal verdrietig werd ik van de ratten die in de visvijver
verdwenen. Daar zaten namelijk visspa visjes in, waar je gratis je voeten in
mag steken. Een rat aan mijn tenen ben ik niet nieuwsgierig naar. We gingen
maar snel slapen om het geziene te vergeten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten