Ik lig languit in de
bus. Onder een fleecedeken. Mijn schoenen zitten in een zwart plastic tasje dat
aan een haakje bungelt. Boven mij probeert de airco een nieuwe ijstijd voor
Vietnam te laten aanbreken. Zachter kan hij niet, alleen harder. Een paar uur daarvoor
waren we in deze bus gestapt. In plaats van stoelen bestond deze bus uit
stapelbedden die leken op kleine sacrofaagjes waar iemand van 1.70 net in
paste. Jammer voor dat Duitse meisje dat schuin voor mij zat/lag en zeker 1.85
was. Eenmaal in mijn vreemde cocon gekropen, wist ik me te ontspannen. Alle
Vietnamezen om mij heen hadden fleecedekentjes over zich heen getrokken, dus
dat deed ik ook maar. Met het groezelige groene dekentje om mij heen kon ik
eindelijk lekker een boekje lezen, het een en ander opschrijven en lekker
snurken. Dag wagenziekte, hallo zeven uur vrije tijd.
De volgende dag begon
op de twaalfde verdieping van het hotel in Ho Chi Minh, de ontbijtbar. Turend over
de stad van duizend scooters en toeters dronk ik mijn Earl Grey terwijl een dametje
mijn omelet serveerde. Ik nam de luxe van het dakterras zo goed mogelijk in mij
op, omdat ik wist dat dit snel voorbij zou zijn. Mel's ouders vlogen die middag
naar Cambodja en wij zouden ook aanstalten moeten maken om te vertrekken.
Ho Chi Minh stad in een dag dus.
Ho Chi Minh stad in een dag dus.
We wandelden door de
stad. PIEP PIEP TOET TOET en dik 30 graden. Mijn hoofd werd roder en mijn
looptempo daalde. We kwamen aan bij het historische museum waar we lazen over
'het dappere Vietnamese volk van strijders' dat eeuwenlang in opstand kwam
tegen de 'kwade en cultureel inferieure overheersers'. Op dit interessante
narratief en taalgebruik na was het museum rete saai. Zo'n museum waar een oude
steen achter glas ligt en waar dan bij staat ' oude steen van 2000 jaar oud'.
Dat je denkt ' zo, dat is een oude steen!' en dan weer doorloopt. Die
verwondering is dan klaar nadat je vijf soortgelijke stenen hebt gezien.
Liever keek ik naar
de schoolkindertjes die in blauw witte pyjama achtige uniforms door het museum
dribbelden. Met de kroon op hun outfit, een kerstmuts, liepen ze achter een
docent die sprak door een Britney Spears headset die was aangesloten aan
draagbare boxjes. Waar was dat toen ik door Wittenberg moest lopen met mijn
leerlingen?! Het museum had ook een mooie binnentuin met een vijvertje en een
boom met rode lantarentjes erin. Er was ook een mummie, maar die stonk.
In de buitentuin
stond een tempel. Terwijl we de statige trappen waarvan de leuningen waren
versiert met draken bestegen, werd de lucht vervult met plechtig klinkende
ohhmm muziek. Zo dat je denkt 'ik ga nu iets bijzonders zien.' Mel die al
eerder boven was, vertelde dat het een tempel was die door de Fransen was
gebouwd ter nagedachtenis aan de slachtoffers van WO I, maar dat hij in 1983
was gerecycled op deze tempel. Terwijl hij afkeurend doorsprak, schelde er
opeens keihard een bekende saxofoondeun uit speakers van de tempel.
TIEDIETIEDITIEDIEDIEEEEE TIEDIEDIEITDIETIEEIDIEEEE en dan ' oh woow oh
woowwhoowwww'.. maar dat was... Careless Whisper. Kwam er nu echt Wham! uit de
tempel geschald? Het antwoord was ja. De plechtige muziek as vervangen door de
ultieme schuifelplaat. Ik keek naar de tempeltuin en zag een afvalbak in de
vorm van een pinguïn staan. Ik snapte het allemaal niet meer. Ik gaf mij over
en zachtjes zong ik in mijzelf; 'I'm never gonna dance again, guilty feeling
got no rythm'.
We zwaaiden Sven en
Anette uit en terwijl ik boven een koelkast gebogen stond om mijn dorst te
lessen, kwam Mel een vriend uit Singapore tegen. Samen gingen we naar het
oorlogsmuseum en 's avonds aten we in een of ander overpriced hipster
restaurant. Mel at een steak (boee) en toen de rekening binnenkwam besloten
wij; never more.
Nu lag ik dus in de
bus. Alle grote vervaald gele tempels langs de kant van de weg deden mij denken
aan Chinese wegrestaurants. Na een stop had de chauffeur bedacht de airco nog
kouder te zetten. Ter illustratie hoe koud het was; de ramen condenseerden aan
de buitenkant(!). Gelukkig had Mel een oplossing bedacht. We staken papiertjes
door de gleufjes van de airco en voorkwamen op die manier dat hij in ons
gezicht blies. Je kan wel zien dat die jongen twee jaar in Delft heeft gezeten.
Ing. M. Schickel.
Uiteindelijk kwamen
we aan in Chau Doc, een klein stadje op de grens met Cambodja. Wederom super
veel scooters, maar een relaxtere sfeer. We slenterden wat over de markt en
besloten avond te eten bij een karretje waar kindermeubeltjes omheen stonden.
Er zaten veel mensen en onder het mom ' wat goed is voor de locals is goed
genoeg voor ons, namen we plaats. We vouwden onze knieën in onze nek, wezen naar een lukraak woord op het menu en aten vervolgens goddelijke maaltijdsoepen met huisgemaakte ice tea. Nee, een ding is zeker, ga niet naar Vietnam als je langer bent dan 1.80. Sorry Cluistra's, maar dit bijzettafeltje moet soms zelfs bukken. Ik heb het gevoel of ik vier bij vier ben in vergelijking met iedereen. Ga wel naar Vietnam als je kickt op lage rekeningen. Na een handen en voeten gesprek van vijf minuten kwamen we erachter dat we met onze omgerekend vier dollar niet alleen ons drinken hadden betaald, maar ook ons avondeten.
Eenmaal terug op onze
hotelkamer hoorde ik s nachts een aantal keer TJIEP TJIEP, maar zagen we niks
de volgende dag. Een mysterie ontvouwde zich dat zich de dagen daarna voortzette..

Geen opmerkingen:
Een reactie posten